Prins Raden Salh

Prins Raden Salh Syarif Bustaman (ook bekend onder de naam Prins Raden Salh Danoediredjoe), schilder (Semarang (Java, Nederlands-Indi) 1811 - Buitenzorg, Java, Nederlands-Indi) 24-4-1880) . Zoon van Sayid Hoesein ben Alwi ben Awal en Mas Adjeng Zarip Hoesein. Gehuwd in 1864 met Winkelman. Na echtscheiding (1867) gehuwd met Raden Ajoe Danoediredjoe. Beide huwelijken bleven kinderloos. In het tweede huwelijk had hij 1 pleegdochter.

Prins Raden Salh stamde uit een Javaans regentengeslacht uit Semarang, waar hij 1811 werd geboren. Begin jaren twintig kwam hij onder de hoede van R.L.J. baron van der Capellen, resident van de Preanger Regentschappen, die hem een baan als schrijver op het residentiekantoor bezorgde. Hier ontdekte hem de Zuid-Nederlandse kunstenaar Antoine Payen, die als landschapsschilder in dienst was van het Nederlands-Indische Gouvernement. Payen was onder de indruk van het tekentalent van de jongeman. Hij nam hem in 1823 als assistent mee op zijn reizen op Java en gaf hem zijn eerste tekenonderricht.

Als klerk van een hoge ambtenaar vertrok Salh in 1829 naar Nederland, waar hij in staat werd gesteld zich verder te scholen en zich in de teken- en schilderkunst te bekwamen. Ook koning Willem I gaf daartoe zijn steun: Salh werd toen als 'Kind van Staat' verder begeleid en kreeg als zodanig een jaarlijkse toelage van tweeduizend gulden uit de Indische middelen van het departement van Kolonin. In de eerste helft van de jaren dertig ontving hij onderricht van de historie- en portretschilder Cornelis Kruseman en van de landschapschilder Andreas Schelfhout. In Den Haag raakte Salh goed ingeburgerd. Hij leerde er verscheidene kunstenaars kennen en werd zelfs lid van de Haagse vrijmetselaarsloge. Zijn beschermheren wensten hem wel een goede opleiding toe, maar wilden hem niet te lang tot last van de Indische geldmiddelen maken. Men verwachtte dan ook dat Salh na voltooiing van zijn opleiding naar Java zou terugkeren. Het zou anders lopen.

Prins Salh ging zich steeds onafhankelijker gedragen en kreeg in steeds bredere kring bekendheid met zijn portretten, genrestukken, landschappen en marines. Maar al spoedig richtte hij zijn aandacht vooral op het schilderen van wilde dieren, zoals buffels, herten, leeuwen en tijgers. Deze werden weergegeven in hun natuurlijke omgeving of ook in jachttaferelen vol actie en beweging, dikwijls in de indertijd in Europa gangbare romantische opvatting over de strijd tussen mens, dier en de natuur. De vaardigheid om dieren weer te geven maakte Prins Raden Salh zich eigen door in zijn woonplaats Den Haag veelvuldig de menagerie van P.H. Martin te bezoeken. Ook ging hij vaak naar het Koninklijk Kabinet van Schilderijen, eveneens in Den Haag, waar hij zich oefende door werken van 17de-eeuwse schilders als Anthonie van Dijck, Gerard Dou, Paulus Potter en Rembrandt te kopiren. Ook verzamelde hij veel prenten en boeken met dieronderwerpen die hem tot voorbeeld konden dienen.

Na tien jaar op kosten van de regering in Den Haag te hebben gewoond verkoos Salh in 1839 zelfstandig een reis door Belgi, Frankrijk, Itali en Duitsland te maken. In korte tijd had Prins Salh Duits en Frans geleerd, waardoor vele deuren voor hem open gingen. In de jaren veertig werd hij in vele Europese steden een geziene societyfiguur en verkeerde hij in de hoogste politieke en cultureel-intellectuele kringen. Hij werd daar niet alleen uitgenodigd als de vermaarde schilder van portretten en dierstukken, maar ook omwille van zijn exotische voorkomen, waarvan hij handig gebruikmaakte door de allure van een Javaanse 'prins' aan te nemen. Salh verbleef ook aan verscheidene vorstenhoven. In het bijzonder met hertog Ernst II van Saksen-Coburg-Gotha raakte hij zeer bevriend, en in diens paleis in Dresden was Prins Raden Salh enige jaren geregeld te gast.

In Parijs, waar hij van 1845 tot 1851 woonde, bezocht Prins Salh het atelier van Horace Vernet. Vermoedelijk heeft hij deze historie- en dierschilder geholpen bij het samenstellen van diens grote composities met dieren. In 1847/1848 zou Prins Salh met Vernet een studiereis naar Algiers hebben ondernomen, waar hij de onderwerpen vond voor zijn indrukwekkende composities en dikwijls omvangrijke schilderijen met gevechten tussen Noord-Afrikaanse jagers en leeuwen en andere jachttaferelen met herten of buffels.

Tijdens deze jaren in Europa ontstonden de dynamische en dramatische historie- en dierstukken waarmee Prins Raden Salh roem zou verwerven, zoals de Hertenjacht (1846), Op leven en dood (1848), de Buffeljacht op Java (1851), de Gevangenneming van Dipo Negoro (1857), de Tijger en zijn prooi (1866) en Gevecht met leeuw (1870). Salh liet zich hierbij eveneens inspireren door composities van de Britse dierschilder sir Edwin Landseer. Mogelijk onderging hij ook de invloed van Eugne Delacroix. Salh vervaardigde deze schilderijen in opdracht van of als schenkingen aan koning Willem II en koning Willem III, maar ook ten behoeve van andere Europese vorstenhuizen, zoals die van Saksen-Coburg, Pruisen, Oostenrijk en Groot-Brittanni.

In 1849 gaf Prins Raden Salh de Nederlands regering te kennen naar Java te willen terugkeren, wat hem in 1851 werd toegestaan. Voorzien van de titel 'Schilder des Konings' ontving hij daar van de gouverneur-generaal niet alleen een jaarlijkse toelage van vierhonderd gulden. Bovendien kreeg hij in Batavia van het Gouvernement de opdracht de restauratie van de landvoogdsportretten op zich te nemen, die hij echter - onder enige druk van die zijde - schoorvoetend aanvaardde. Enige hovaardij kan hem wellicht verweten worden; men vermoedt dat Prins Salh de restauratie als minderwaardig, als niet bij zijn stand behorend werk beschouwde. Na de voltooiing hiervan in 1856 werd hij op eigen verzoek - en aanvankelijk onbezoldigd - eerste conservator van de landvoogdelijke galerij. Salh schilderde in deze jaren voornamelijk portretten van hooggeplaatsten in de Nederlands-Indische gemeenschap - die hem zeer waardeerden - en ook Javaanse landschappen. In Batavia trouwde hij met een mejuffrouw Winkelman, een bemiddelde Indo-europese dame, en liet - door haar financieel gesteund - op een landgoed in het naburige Weltevreden, gelegen aan de oevers van de rivier de Tjiliwoeng, voor hen een huis in neogothische stijl bouwen.

Niettemin heeft men van die zijde zijn loyaliteit n keer in twijfel getrokken en raakte hij daardoor in ernstig conflict met dat bestuur. In april 1869 brak een opstand uit in de streek van Bekasi, ten oosten van Batavia. De opstand werd spoedig bedwongen. In die onduidelijke sfeer en omstandigheden werd Salh ervan beschuldigd de leider te zijn geweest van deze onlusten. Uit gerechtelijk onderzoek nadien bleek dat deze beschuldiging zonder grond was en dat een van de leiders van deze opstand zich had uitgegeven voor de beroemde kunstenaar.

In 1875 vertrok Prins Raden Salh opnieuw naar Europa, nu in gezelschap van zijn tweede echtgenote van Javaans-adellijke komaf, Raden Ajoe Danoediredjoe. Het doel van deze reis was - zo deelde hij in zijn rekest aan het Gouvernement mee - 'geest en penseel te verfrissen' en vooral zijn oude contacten aan het Coburgse hof en in Parijs te hernieuwen. De kosten van de reis liepen evenwel zo hoog op - de koloniale overheid werd slechts bereid gevonden hem voor dat doel een kleine toelage te verlenen - dat deze hem, naar eigen zeggen, sterk hadden verarmd. In 1880 overleed Salh in zijn laatste woonplaats te Buitenzorg.

Prins Raden Salh was een trotse Javaan, die zich als loyaal onderdaan naar het Nederlands-Indische gezag voegde. Hij was een traditioneel en conservatief ingestelde kunstenaar, die in zijn tijd als geen andere exotische hooggeborene spraakmakende kunstwerken maakte die in de smaak vielen bij een vooraanstaand Europees clinteel.